Maria (moeder van Jezus) ( Pellevoisin 1876

Van 14 februari t/m 8 december 1876 verscheen in Pellevoisin de Heilige Maagd Maria aan de 32-jarige Estelle Faguette[1], die op dat moment stervende is.
In totaal zou zij 15 keer als Onze-Lieve-Vrouw van Genade verschenen zijn.
Bij de vijfde verschijning geneest Estelle van tuberculose en acute peritonitis (buikvliesonsteking).
Tegenwoordig is er een jaarlijkse bedevaart tijdens het laatste weekend van augustus waarbij 15.000 bezoekers zich verzamelen bij het Sanctuaire Notre-Dame de Pellevoisin.

Het Nieuwe Testament vermeldt dat Maria nog niet samenwoonde met Jozef, maar wel verloofd was, toen ze zwanger werd en dat ze nog geen geslachtsgemeenschap hadden gehad.
Maria was dus nog een maagd.
Volgens aankondiging van de engel Gabriël (de annunciatie) werd Jezus in de schoot van Maria ontvangen door de kracht van de Heilige Geest, de zogeheten maagdelijke geboorte.

Het Evangelie volgens Matteüs beschrijft dat Jozef en Maria na de geboorte van Jezus niet in Bethlehem bleven en ook niet naar Nazareth terugkeerden (wat volgens Lucas hun woonplaats geweest zou zijn), maar naar Egypte vluchtten.
Jozef was volgens dit evangelie namelijk via een droom door een engel gewaarschuwd, dat koning Herodes de aanstaande koning der Joden wilde vermoorden uit angst voor zijn eigen troon.
Deze beging daartoe de kindermoord van Bethlehem.
Na de dood van Herodes (4 v. Chr.) vestigden Maria en Jozef zich in Nazareth.
Op grond hiervan dateert men de geboorte van Jezus kort voor het jaar 4 v.Chr. meestal 6 v.Chr.

Hier groeide Jezus op onder de hoede van Maria en Jozef.
Hij werd opgevoed in de joodse leer en leerde waarschijnlijk ook het beroep van zijn vader: timmerman.
Jozef stierf vermoedelijk voordat Jezus in de openbaarheid kwam, Maria als weduwe achterlatend.
Bij het openbare optreden van Jezus wordt Maria nog enkele malen genoemd en volgens Johannes was zij bij de kruisiging van Jezus aanwezig.
Vervolgens zou ze nog aanwezig zijn geweest bij enkele vergaderingen van de apostelen.

Over haar verdere leven zijn verschillende verhalen in omloop.
Volgens de (rooms-katholieke) overlevering moet Maria ergens tussen 36 en 50 n.Chr. zijn overleden in Jeruzalem of Ephese.
Hierbij zouden alle apostelen aanwezig zijn geweest behalve Thomas.
Toen deze arriveerde was Maria's lichaam al begraven en om haar toch eer te bewijzen bezocht Thomas in zijn eentje haar graf.
Thomas zou toen de tenhemelopneming van Maria hebben gezien.
Daarbij zou hij van Maria haar gordel hebben gekregen.
De overige apostelen geloofden dit niet totdat hij hen de gordel toonde en het lege graf.

Haar huwelijk met Jozef wordt als 'Jozefshuwelijk' nog altijd als terminologie gebruikt voor een geestelijke, niet-seksuele huwelijksgemeenschap.
Het vroege geloof van de Oude Kerk en de kerkvaders, dat God de vrouw waaruit zijn zoon geboren werd zeker maagdelijk gehouden heeft, werd later steeds meer uitgewerkt.
Het geloof dat Maria voor, tijdens en na de geboorte van Christus haar maagdelijkheid behield, wordt tegenwoordig nog doorgegeven door de katholieke en de orthodoxe Kerk.

De altijddurende maagdelijkheid van Maria werd ook nog door Maarten Luther en Johannes Calvijn aangehangen, maar tegenwoordig nemen veel protestantse christenen aan dat Maria en Jozef samen later ook andere kinderen hebben gehad.
Men beroept zich daarbij op meerdere teksten uit het Nieuwe Testament waar over de "moeder en broers" van Jezus gesproken wordt.
Het oudste Griekse handschrift spreekt van 'adelphói', waar de Nederlandse vertaling (Matth. 13:55) spreekt van 'broeders van Jezus'.
Hiëronymus stelde, dat in de Aramese wereld neven en achterneven vaak broer (Grieks: 'adelphoi') werden genoemd.
Hij geeft daarvoor als argument dat in Genesis neef Lot een ach, een broer van Abraham wordt genoemd.